Grove planting op Loosdrecht
door NicolineHet heeft veel geregend, tè veel. Op onze tocht door de weilanden, komt het water tot aan onze kuiten en af en toe staat er een vastgezogen, lege laars in de modder. Is dit mijn moederland, dit lage, natte, kale land? Kom ik uit deze modder, deze klei? De wind is hard en brengt nog meer regen mee. Ik verlang naar heuvels, een zachte bries. We ploeteren door, met onze kar met kleine boompjes en stekken. Het is "grove planting" dag. De schapen hollen voor ons uit, het land bijna lager dan de vaart.
Ons eiland, dat ook te voet bereikbaar is, is een natte oase temidden van water toerisme. Er staan bomen en struiken, er is gras, water, waterlelies, een klein schuurtje. Het heeft de vorm van een grote U. Langzaam vervagen de twee smalle landtongen, vroegere legakkers, die ver de plas insteken. Vroeger stonden hier eiken, ooit gepland door mijn oom, die met een zak eikels de punten beboste. De eiken werden groter, het land kon ze niet meer dragen en ze vielen, de grond openscheurend. Daarna deden langs varende motorboten de rest. Nu zijn de landtongen niet langer begaanbaar. Veertig jaar geleden plukte ik hier bramen, gingen we op avontuur uit, hielden we er songfestivals.
Mijn neef komt hier ieder jaar zijn vakantie vieren. In de herfst organiseert hij dan een eiland werkweekend. Een ieder die hier van de zomer heeft genoten, komt om te snoeien en te maaien en te vlechten en te vellen. Vreemd dat we bomen rooien en daarna weer bomen planten. Het geeft een ongemakkelijk gevoel, zelfs al gebruiken we de takken om vlechtwerk mee te maken en om het water tussen wal en vlechtwerk op te vullen. Op de punten (de landtongen) worden de grotere bomen geveld, om omvallen te voorkomen. Op het stuk land in de bodem van de U worden bomen aangepland, voor de beschutting.
Het veen werd hier weggegraven en water vulde de leeggegraven stukken. Nu beschermen we wat er nog van het land over is tegen het door het moterbotentoerisme oprukkende water. Het land wordt steeds smaller, het trekt zich steeds verder terug. De steigers staan al praktisch los van het land.
We arriveren met onze seedgroup op een middag in oktober, onder een loodgrijze hemel. Het eiland is nog meer doordrenkt dan de weilanden. Als je op en neer springt, beweegt het als een logge matras onder onze voeten. Een spade diep in de pikzwarte aarde en het gat vult zich razendsnel met water.
We zetten onze jonge boompjes in het midden van de cirkel en beginnen het ritueel. Ik draai me om naar het Oosten. De havik die hoog vliegt in de heldere zuivere lucht. Ik krijg het niet uit mijn mond, het lijkt ongepast, hier en nu. Niks hoog vliegen in de heldere, zuivere lucht, de lucht is grijs en laag. Geen havik te bekennen. We veranderen hem in een blauwe reiger. Een blauwe reiger die laag vliegt onder loodgrijze luchten. We praten over de geschiedenis van dit land en het water. De moeder manifesteert zich hier wel heel bijzonder, ze is dichtbij. Alleen vuur ontbreekt.
We planten onze bomen, met spreuken en gedichten. En we sluiten af met een tevreden gevoel en een gevoel van belofte en heimwee. Heimwee naar de tijd dat ik hier jong was, naar het eiland zoals het toen was. En een belofte: ik zal goed voor je zorgen, zoals jij nu bent. Dan begint het te plenzen en we trekken ons terug in het schuurtje voor erwtensoep met worst en Franse walnoten en wijn, alvorens we weer de natte tocht huiswaarts gaan.
Een grove planting op een heel bijzonder stukje land, in een heel bijzondere tijd. Echt Nederland.
Terug naar de inhoudsopgave van dit nummer